Hun moeders maken voor ieder een pakzak, een ‘bazatse’. Ze stoppen er ondergoed en sokken in, een washandje en een nachtpon. Ze schrijven op een steekkaart de naam van het kind, wanneer het is geboren, of het zijn communie heeft gedaan, op welk adres zijn familie is gevlucht, en welk beroep zijn ouders willen dat het later uitoefent….
— Anne Provoost, De laqué schoentjes van Anna

Wij liepen onze angst tegemoet.
Achter ons naderde iets nog veel groters.
Wij hadden geen moed, hadden gehoord hoe de stad...
maar wilden naar binnen voor de poort werd gesloten.
— Charles Ducal, Vluchtelingen

Marc de Bel
ULE  'Ik was veertien in 1914'

‘De Duitsers hebben gifgas gelost’, verbreekt tante de tijdloze stilte. Pepee Pauwels blijft Dree, Miel en Gust gespannen aankijken. De starre eigenwijze blik in zijn donkerblauwe ogen smelt eventjes weg. Hij slikt en kijkt tante vragend aan. ’En wat is er met de koeien gebeurd? Tante haalt haar schouders op en kijkt verslagen naar de grond. ’We zijn hals over kop moeten vluchten en hebben alles moeten achterlaten. De Duitsers kwamen eraan. Daar blijven had geen enkele zin.’ Pepee Pauwels staart peinzend voor zich uit en legt zijn grote boerenhanden naast de bolletjeskop op de tafel. Hij wil iets zeggen maar bedenkt zich.
— Marc De Bel, Ule (Deel 5: Watou, april 1915)
 

 
De gekwetsten blijven intussen maar toestromen. De schuur ligt al stampvol. We zijn de af en aan rijdende legerwagens intussen gewend. Al kijken we toch altijd even gespannen op als een auto van het Rode Kruis eraan komt. Dree zijn vrienden zeggen immers dat ze daarmee niet alleen rondrijden om gekwetsten te vervoeren en iedereen in te enten tegen tyfus, maar ook om kinderen mee op te halen, om die dan naar Frankrijk of Zwitserland te brengen. Naar verluidt zouden er zo al duizenden kinderen zijn weggevoerd.
— Marc De Bel, Ule (Deel 5: Watou, april 1915)
 

 
Alleen het trieste geroep van het uiltje, dat nestelt in de holle knotwilg achter de schuur, waar de houten kruisen steeds talrijker worden, verbreekt af en toe de doodse stilte , die de laatste dagen, sinds het vertrek van de Tommy’s en de Schotten, tot laat in de ochtend als een verkillende mistdeken over de boerderij hangt.
— Marc De Bel, Ule (Deel 5: Watou, april 1915)
 

 
Ik kreeg een ferm wee gevoel toen ik daarnet de lege schuur zag. Iedereen en alles is weg. Alleen de dode soldaten zijn gebleven. Het is nu erg stil buiten. Doodstil. Vooral achter de schuur, waar de vele houten kruisen netjes naast elkaar als reusachtige vlinders in het gras staan geprikt ...
— Marc De Bel, Ule (Deel 5: Watou, april 1915)